Het orgel

Over de herkomst van de historische orgelkast in “Regence-stijl” is weinig met zekerheid bekend.
Rond 1930 werd het gebouw in gebruik genomen als aula van de Technische Universiteit Delft. De lege orgelkast werd door de aannemer als decoratief element aangebracht aan de balie aan de achterzijde van de tegenwoordige kerkruimte. Waarschijnlijk was dit een zogenaamd rugwerk van een groter orgel dat vroeger in een kerk stond te Aarlanderveen. In het archief van de T.U. is daar niets van terug te vinden.

De orgelpijpen in het front van de prestant 8’, vanaf  c, (21 pijpen), konden weer tot spreken worden gebracht.
Het overige pijpwerk en de windlade zijn afkomstig van een orgel uit de
Chr. Gereformeerde kerk te Steenwijk. Het oude oorspronkelijke orgelfront is nog in dat kerkje aanwezig. Het origineel is, volgens Jan Jongepier, begin vorige eeuw gebouwd door orgelbouwer Bakker & Timmenga.

Dit gedeelte fungeert nu als ‘hoofdwerk’.
De dispositie is als volgt:
Prestant 8’ - Oktaaf 4’ - Oktaaf 2’ - Holpijp 8’ - Roerfluit 4’
Gamba 8’, vanaf c - Vox Celeste 8’ vanaf c - Quint 2 2/3’ vanaf c

Tractuur: mechanisch met sleepladen.
Interieur kapelruimte
Een tweede manuaal werd nieuw toegevoegd. De kast met het pijpwerk bevindt zich achter de nieuw gebouwde speeltafel en tussen de twee steunmuren voor het middelste achterraam.

Dispositie:
Bourdon 8’ - Fluit Dolce 4’ - Prestant 2’ - Nasard 2 2/3’ - Terts 1 3/5’

Registertractuur mechanisch, sleepladen. Toetstractuur electro-mechanisch.

Pedaal registers:
Subbas 16’ (grootoktaaf gereserveerd), één oktaaf uitgebreid, waarvan afgeleid: Bourdon 8’.

Verder de gebruikelijke koppelingen.
Ontmoetingsruimte in het sousterain
Naar de begin-pagina